L6 : Taal : taalbeschouwing : het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde

 

 

 

Het werkwoordelijk gezegde

 

Het naamwoordelijk gezegde

 

1. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (1)

 

2. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (2)

 

3. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (3)

 

4. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (4)

 

5. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (5)

 

6. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (6)

 

7. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (7).

 

8. Klik de zinsdelen aan waar het werkwoordelijk gezegde in zit (8)

 

9. Noteer het werkwoordelijk gezegde.

 

10. Typ het volledige werkwoordelijk gezegde in - juiste volgorde.

 

11. Typ het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp in.

 

12. Vul in de goede volgorde het werkwoordelijk gezegde in.

 

1. Kies ja wanneer je denkt dat in de zin een naamwoordelijk gezegde staat.

 

2. Klik het naamwoordelijk gezegde aan (1)

 

3. Klik het naamwoordelijk gezegde aan (2)

 

4. Klik het naamwoordelijk gezegde aan (3)

 

5. Klik het naamwoordelijk gezegde aan (4)

 

6. Klik het naamwoordelijk gezegde aan (5)

 

Het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde

 

1. Het gezegde oefenen : keuze tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde.

 

2. Kies of de zin een werkwoordelijk of een naamwoordelijk gezegde bevat.

 

3. Klik het gezegde aan (1)

 

4. Klik het gezegde aan (2)

 

5. Klik het gezegde aan (3)

 

6. Klik het gezegde aan (4)

 

 

 

7. Klik het gezegde aan (5)

 

8. Klik het gezegde aan (6)

 

9. Klik het gezegde aan (7)

 

10. Klik het gezegde aan (8)

 

11. Vul onderwerp, persoonsvorm en gezegde in.

 

12. Vul onderwerp, werkwoord en gezegde in.