L6 : Beaufort 6 : contact 9

 

Vocabulaire

 

1. Flashcards

 

2. Flitskaarten (1)

 

3. Flitskaarten (2)

 

4. Flitskaarten (3)

 

5. Gravity

 

6. Klik het juiste antwoord aan (1)

 

7. Klik het juiste antwoord aan (2)

 

8. Klik het juiste antwoord aan (3)

 

9. Leren

 

10. Match

 

11. Schrijven

 

12. Sleep van rechts naar links (1)

 

13. Sleep van rechts naar links (2)

 

14. Sleep van rechts naar links (3)

 

15. Spellen

 

16. Test (1)

 

17. Test (2)

 

18. Test (3)

 

19 Test 4)

Uitdrukkingen

Werkwoord appartenir

 

1. Flashcards

 

2. Leren

 

3. Schrijven

 

4. Spellen

 

5. Match

 

6. Gravity

 

7. Test

1. Flashcards

 

2. Leren

 

3. Schrijven

 

4. Spellen

 

5. Match

 

6. Gravity

 

7. Test

Werkwoord s'arrêter

Werkwoord devoir

 

1. Flashcards

 

2. Leren

 

3. Schrijven

 

4. Spellen

 

5. Match

 

6. Gravity

 

7. Test

 

1. Flashcards

 

2. Leren

 

3. Schrijven

 

4. Spellen

 

5. Match

 

6. Gravity

 

7. Test

Werkwoord jongler

 

 

1. Flashcards

 

2. Leren

 

3. Schrijven

 

4. Spellen

 

5. Match

 

6. Gravity

 

7. Test

 

Oefeningen werkschrift

 

On s'entraîne.

 

1. Copie (Kopieer)

 

2. Écris les mots à la place exacte. (Schrijf de woorden op de juiste plaats.)

 

3. Note les phrases à la place exacte. (Schrijf de zinnen op de juiste plaats.)

 

4. Complète avec la forme exacte du verbe "voir". (Vul aan met de juiste vorm van het werkwoord "voir".)

 

5. Complète avec la forme exacte du verbe "devoir". (Vul aan met de juiste vorm van het werkwoord "devoir".)

 

6. Relie ce qui van ensemble. (Verbind wat samengaat.)

 

8. Transforme les phrases selon le modèle. (Vorm de zinnen om zoals in het voorbeeld.)

 

9. Complète avec la bonne forme du verbe "avoir" ou "être". (Vul aan met de juiste vorm van het werkwoord "avoir" of "être".)

 

10. Complète avec la bonne forme du verbe "aller" ou "venir". (Vul aan met de juiste vorm van het werkwoord "aller" of "venir".)